> ## Content Index
> Fetch the complete content index at: https://elmar-noteboom.ghost.io/llms.txt
> Use this file to discover other available public pages before exploring further.

# Punk in pak
- URL: https://elmar-noteboom.ghost.io/punk-in-pak/
- Published: 2026-07-31T09:11:00.000Z
- Updated: 2026-08-25T22:09:36.000Z
- Author: Elmar Noteboom
- Tags: Notebook

## **Het gaatje in de poort**

Mijn hele jeugd woonde ik naast een pleintje met een paar bankjes. Een paar huizen verderop woonde een meisje, ze was al een tiener dus groot in mijn ogen, die daar met haar vrienden zat. Het waren allemaal punks. Zwart gekleed, haren hoog met gel, zwarte make-up, ontzettend veel oorbellen, gelakte nagels, scheuren in hun kleren. Iedereen in de buurt sprak er schande van. Ik was totaal gefascineerd.

Door een gaatje in onze poort keek ik naar ze. Ik observeerde ze, stelde me voor hoe ik eruit zou zien in die kleren. Ik wilde dat ze mijn vrienden waren. Ik wilde dat ze me zagen. Ik wilde onderdeel worden van hun groep, al was het alleen om hoe mooi ze eruitzagen, zo rebels.

Ik wist dat het punk heette. Ik wist nog niet waar punk voor stond. Ik kende de muziek nauwelijks en van de politieke ideeën erachter had ik geen flauw benul. Ik wist alleen dat iedereen ze raar vond en ik ze prachtig vond. En dat ik met alle macht punk wilde zijn.

**Rollen aanmeten**

Als kind was ik altijd al gefascineerd door mooie kleren en spullen. Alles wat ik gebruikte of droeg, moest een zekere esthetische waarde hebben. Het was een passie die me van jongs af aan dreef. Als ik een film zag waarin de hoofdrolspelers mooie kleren droegen, wilde ik dat ook. Ik zag Fred Astaire tappen in Singin' in the Rain, en ik wilde ook tappen. Mijn familie zocht overal naar tapschoenen, die waren natuurlijk niet te vinden, al helemaal niet in een kindermaat, en al helemaal niet begin jaren tachtig, toen het kapitalisme nog niet zo aan het razen was als nu. Dus gingen ze zelf experimenteren, en nagelden houten stukjes onder mijn zolen. Ik zag een stukje van Casablanca, waarin Humphrey Bogart een prachtige trenchcoat droeg. Die wilde ik ook. Ik hoefde alleen maar te wijzen, en mijn oma zat alweer achter de naaimachine, een prachtig klein trenchcoatje te maken, speciaal voor mij.

Zo heb ik eigenlijk mijn hele leven geleid. Ik was altijd bezig met de inrichting van huizen, met stijlen. Toen ik met de scouting in een grote schuur van een boerderij ging logeren, was het eerste wat ik deed toen ik terugkwam: de schuur natekenen, en helemaal opnieuw ontwerpen hoe ik hem zou indelen. Waar de banken zouden komen. Hoe ik de muren zou zetten. Wat voor behang, wat voor kasten. Met de IKEA-gids — destijds mijn bijbel — mat ik alles precies op en plaatste ik het in mijn tekeningen. Ik maakte moodboards voor een oude varkensschuur waar ik een weekend had geslapen. Dit was lang voordat ik wist wat een directeur was, schijnbaar wist ik al hoe je jezelf aankleedt voor een rol.

## **MTV als deur naar een nieuwe dimensie**

Toen ik dertien was, kregen de dorpen om Doetinchem heen toegang tot MTV. Wij pas een jaar later, en dat vond ik verschrikkelijk frustrerend, als ik bij vrienden in Varsseveld kwam, wilde ik alleen maar MTV kijken. Wat ik daar zag, opende een deur naar een wereld die ik niet kende. Tot die tijd had ik altijd de jaren zestig en zeventig geïdoliseerd. Ik dacht echt dat ik te laat geboren was, alle mooie kleren, de goede muziek, dat had allemaal toen plaatsgevonden. Dat ik zelf in de jaren tachtig opgroeide, en dat dát ook een geweldige tijd was, kon ik toen nog niet zien. Ik vond de jaren tachtig op dat moment nog behoorlijk lelijk. Nu kan ik ze enorm waarderen, zelfs meer dan de jaren zestig en zeventig. Maar toen verheerlijkte ik alleen het verleden. Tot MTV me liet zien dat er, terwijl ik gewoon leefde, een geweldige cultuur bestond van jonge, mooie mensen met prachtige kleren. Een heel eigen stijl. Haren in alle kleuren, de gekste combinaties, wijde broeken met korte topjes. Ik was volledig onder de indruk, en ik wilde dat ook.

## **High fashion van de kringloop**

Het kapitalisme was toen nog niet zo alomtegenwoordig als nu. Er waren nauwelijks winkels voor dit soort kleding, zeker niet in Doetinchem, dus moest ik het zelf bij elkaar scharrelen. Er was een kringloop waar kleren begonnen bij vijfentwintig cent, tot maximaal vijfenzeventig en dan heb ik het over guldens. Ik ging er een paar keer per week langs, op zoek naar oude spencers, hoeden, geruite broeken, drie maten te groot. Het maakte niet zoveel uit, als ik dacht dat het kon, dan kon het. Sommige stukken voorzag ik van eigen teksten. Of scheuren. Ik droeg een groot peace-teken om mijn nek en maakte er gewoon een feestje van. Legerkistjes wilde ik ook, maar met mijn toenmalige maatje achtendertig hadden ze nog geen kisten in mijn maat. Toen mijn moeder me vertelde dat ze in de jaren zestig soms klompen droeg, wilde ik ook klompen. Niet van die houten, maar Zweedse muilen. Dus ging ik gewoon op klompen naar school. Ik liet mijn haar groeien, lang, en op een gegeven moment droeg ik dreads.

## **De publieke opinie**

De hele school keek naar me. Iedereen had er wel iets van te vinden. In Doetinchem begon ik een naam te krijgen: die gekke hippie, die rare zwerver. Het boeide me niets. Sterker nog, er waren twee andere leerlingen op de middelbare school, Femke en Bob, een stelletje een paar klassen hoger, waar ik enorm tegenop keek. Ik durfde eigenlijk niet met ze te praten; ik idoliseerde hen net zoals ik de mensen op MTV idoliseerde. Ze zagen er geweldig uit, zoals niemand die ik ooit had gezien. Tot Femke op een dag naast me kwam fietsen op weg naar school. We praatten over onze liefde voor unieke kleren, over hoe mensen op ons reageerden. Dat was ontzettend fijn. Sindsdien werden we een beetje vrienden. Als ik in één adem werd genoemd met Femke en Bob, "die rare zwervers", was dat voor mij het grootst mogelijke compliment. Het verbaast me nu dat ik destijds zo sterk in deze kleding geloofde dat de reacties me nauwelijks raakten. 

Ik herinner me ook een keer dat ik met de hond aan het wandelen was. Een klasgenootje van de basisschool kwam me tegen. "Elmar, je ziet er ook steeds gekker uit, nu draag je weer een enorme ketting om je nek." Terwijl dat gewoon de hondenriem was. Mensen verwachtten op dat punt alles van me.

## **Olly**

Mijn vader zei ooit dat als ik ooit als punk thuiskwam, hij me het huis uit zou slaan. Slim als ik was, maakte ik van mezelf een nieuw soort punk. In het begin nog redelijk onschuldig. Maar op een gegeven moment werd het heftiger, precies in de periode dat ik slecht begon te presteren op school. Uiteindelijk werd ik van school gestuurd.

Mijn Nederlandse familie sprak al langer schande van mijn uiterlijk. Toen ik van school werd gestuurd, was dat voor mijn ouders het moment om in te grijpen. Ze wisten niet goed wat ze ermee aan moesten. Op advies van mijn vaders verschrikkelijk strenge, conservatieve broer besloten ze dat mijn kleren me van het leren hadden afgeleid.

Dus toen ik naar een nieuwe school ging, volgde er een grootscheepse opruiming van mijn leven. De meubeltjes die ik had verzameld, soms antiek, door mij beschilderd in de gekste kleuren. De muren waarop ik graffiti had gemaakt. Mijn tekeningen, mijn schilderijen, de gekke kasten. Alles moest plaatsmaken voor een nette kamer. Mijn kleren ook. Alles in een vuilniszak, weggedaan. Ik kreeg saaie, nette kleding. Mijn haar werd afgeknipt. Ik werd, in de letterlijkste zin, gestript van mijn identiteit.

Zelfs mijn beste vriendin Saskia besloot me niet meer Elmar te noemen, maar Michael, mijn tweede naam. "Je bent gewoon Elmar niet meer," zei ze. Het deed me ontzettend veel pijn. Ik was van school gestuurd. Ik was homoseksueel, in het geheim. Ik was depressief. En toen gebeurde ook dit nog. Het was een tijd waarin ik het liefst dood had gewild. Toch won de esthetische drang naar mooie kleding het uiteindelijk van het depressieve gevoel. Bloed kruipt waar het niet gaan kan.

Langzaam begon ik weer kleren te verzamelen, dit keer in een andere stijl. Kleurrijker. Minder geïnspireerd op de seventies, meer op de MTV van dat moment, op de Londense ravecultuur. Ik blondeerde mijn haar. Ik ging steeds weer een stapje verder. Op een gegeven moment merkte ik dat mijn ouders het doorhadden. Dus verzamelde ik mijn kleren en verstopte ze in een holle boom. Als ik met de hond wandelde, kwam ik langs een mooie wilg, hol van binnen, precies groot genoeg voor een tas. Ik noemde hem Olly, omdat hij op een olifant leek. Op weg naar school ging ik langs Olly. Daar kleedde ik me om, trok mijn eigen kleren aan. De hele dag op school kon ik zijn wie ik was. Op de terugweg kleedde ik me weer terug. Dat heb ik een tijd volgehouden, tot de kleren begonnen te stinken. Dat maakte me eigenlijk niet zoveel uit. Maar langzaam kon ik weer teruggroeien in mezelf.

## **Studietijd**

Tijdens mijn studiejaren op de kunstacademie begon ik kleding zelf te maken en vermaken. De Amsterdamse Noordermarkt op maandagmorgen was voor mij een heilige plek. Destijds kon je er nog geweldige vintage kleding vinden voor slechts 5 euro. Sommige stukken hadden misschien gaten onder de oksels, maar dat deerde me niet. Ik wachtte soms zelfs tot de markt voorbij was, want de verkopers lieten vaak restanten achter, en daar vond ik vaak verborgen schatten.

Zo vond ik een prachtig gewaad, waarschijnlijk van Noord-Afrikaanse afkomst. Toen ik ermee over straat liep, ontving ik bewonderende blikken en complimenten van alle kanten. Ik voelde me als een koning. Destijds was de term 'cultural appropriation' nog geen ding. Ik begon ook mijn eigen kleding te maken, hoewel ik nooit naailes had gevolgd. Ik kreeg de oude Husqvarna naaimachine van mijn schoonmoeder, ik was een autodidact en mijn stukken waren vaak slordig, maar dat maakte me niets uit. Het werd mijn stijl: rafelrandjes, scheve naden, een uiting van mijn punkmentaliteit.

## **Love Baby**

Een jaar later had ik tassen vol kleding en hoeden, en besloot ik een eigen kledingmerk te beginnen als kunstproject. Love Baby noemde ik het. Een vriend schreef er een nummer voor, en ik vroeg mijn knapste vrienden van de kunstacademie om als model te fungeren. Het was behoorlijk tongue-in-cheek, ironisch bedoeld, de kledingstukken waren namelijk echt lelijk, zeker naar de maatstaven van dat moment. Grote, brede schoudervullingen, mintkleuren, brede riemen, hoge tailles: jaren-tachtig-elementen die begin jaren tweeduizend volstrekt fout waren. Maar ik presenteerde het alsof het heel wat voorstelde. Ik naaide er mijn eigen label in en klaar. 

Ik herinner me feestjes bij mij thuis waar ik, als verrassing, twee grote vuilniszakken vol hoedjes omkieperde. Iedereen mocht er eentje uitzoeken. Jarenlang zag ik daarna mensen rondlopen met mijn hoeden. Kleren stonden dus altijd centraal bij mij. Ik begreep al vroeg dat verschillende kleding ook verschillende verwachtingen schept. Het is het eerste wat je van iemand ziet, en je vormt je er meteen een beeld bij. Dat is gewoon een feit. Je kunt er wat van vinden, maar zo werkt het.

## **In het onderwijs**

Toen ik later in het onderwijs ging werken, voelde ik de druk om me "normaler" te kleden. Ik dacht dat ik me moest aanpassen om serieus genomen te worden, vooral omdat ik jong en onervaren was. Het was niet de eerste keer dat ik mezelf temperde om ergens bij te mogen horen. Eerst was het school geweest. Nu was het mijn beroep.

## **Berlijn veramsterdamt**

Op een van mijn fietstochten door de stad word ik weer geconfronteerd met iets wat ik nu al tweeëntwintig jaar zie gebeuren. Berlijn veramsterdamt. Niet alleen de gebouwen, al begint het daar. Op sommige plekken waar ik fiets, weet ik soms bijna niet meer waar ik ben. Dan herinner ik me dat waar nu een groot, glazen, anoniem postmodern gebouw staat — waarschijnlijk met een of andere keten erin — vroeger een lege plek was. Graffitimuren, hoog onkruid, een hek met een gat erin, daklozen die er met een tentje hun thuis van hadden gemaakt.

Ostkreuz was, toen ik hier twintig jaar geleden woonde, mijn halte. Toen was het een lelijke, gekke brug over de sporen. Je moest via een paadje door het gras om er te komen. 's Avonds stonden er tientallen punks muziek te maken, met honden erbij. Ik nam er ooit vrienden mee die voor het eerst in Berlijn waren, en zij keken hun ogen uit, iets wat voor mij toen al helemaal normaal was geworden. Op een gegeven moment was ik een tijd niet in Berlijn geweest. Toen ik terugkwam, stond er in plaats van die plek een gigantisch glazen bouwwerk, totaal gestript van elke referentie aan wat er was geweest. Het voelde als een aanslag op de cultuur van de stad.

Dit patroon heb ik vaker gezien. Ik herinner me Alexanderplatz, waar ik vooral een groot, kaal plein zag. En de plek waar nu Hauptbahnhof staat, ik stapte er tijdens de bouw uit met mijn vriend Peter, en we keken naar een groot veld woestenij. We vroegen ons hardop af waarom er, midden in zo'n leegte, een hoofdstation werd gebouwd. Nu snap ik het: eromheen is inmiddels een hele wijk verrezen. Dat is de groei die ik de afgelopen decennia heb zien gebeuren.

Twintig jaar geleden liep ik hier rond omdat de stad voelde alsof niemand bezig was met hoe hij eruitzag. Natuurlijk besteedden mensen aandacht aan hun uiterlijk, maar het leek een gevolg van wie ze waren, niet van wie ze wilden lijken. Zwarte leren jassen, afgetrapte schoenen, rommelige kapsels — alles ademde iets eigens uit. Niet netjes, niet perfect, maar echt. Nu zie ik steeds vaker het tegenovergestelde. Overal lopen mensen in precies dezelfde, zorgvuldig gekozen nonchalance. Alles wijd, minimalistisch, in de juiste kleuren, met de juiste sneakers en de juiste tas. Het ziet eruit alsof iedereen toevallig hetzelfde moodboard heeft gevonden. Dat is precies het verschil.

Cool zijn is geen outfit. Je wordt niet interessant omdat je interessante kleren draagt. Interessante mensen dragen toevallig interessante kleren. Dat is iets heel anders.

Ik zie het niet alleen aan de gebouwen. Ik zie het aan de mensen. Waar vroeger mensen punk waren en daarmee lieten zien dat ze rebels waren, heeft de commercie ook hier haar intrede gedaan. Mensen dragen nog steeds aparte kleren, maar totaal gedicteerd door de mode. De juiste lengte, de juiste wijdte, de juist nagestreefde nonchalance — allemaal hetzelfde. Dezelfde sneakers, van het merk dat dit jaar toevallig hip is. Volgend jaar is het een ander merk. Zonnebrillen zijn dan weer groot, dan weer sportief, dan weer plat. Ik zie nu zelfs frosted tips terugkomen.

Authenticiteit laat zich moeilijk massaproduceren. Op het moment dat een alternatieve stijl een product wordt dat je kunt kopen, verliest hij precies datgene wat hem aantrekkelijk maakte. Dan koop je niet langer een eigen identiteit, maar een versie die al duizenden keren is verkocht.

Misschien is dat wel wat ik bedoel met veramsterdammen. Amsterdam was in mijn jeugd ook een spannende plek met ruimte voor rebellie. Nu is het de meest kakkerige plek van Nederland, waar geen stoeptegel niet is opgepoetst. Niet dat de stad slechter wordt, of dat vroeger alles beter was. Wel dat de rafelranden langzaam worden gladgestreken. Dat spontaniteit plaatsmaakt voor styling. Dat eigenheid steeds vaker wordt vervangen door voorbedachte esthetiek. En misschien zegt dat uiteindelijk minder over Berlijn dan over de tijd waarin we leven.

## **Mijn eigen rafelranden**

Ik zou daar makkelijk over kunnen oordelen als ik niet zelf precies hetzelfde had gedaan. Ik ben altijd met bewondering naar de punkbeweging blijven kijken. Eerst vanwege hun uiterlijk, maar naarmate ik er meer over leerde, ook vanwege de politieke en idealistische idealen. Hoe ze zich organiseerden, hoe groot ze werden, en hoe ze uiteindelijk verdwenen. In Berlijn, tweeëntwintig jaar geleden, voelde ik voor het eerst hoe die punk ook in mij zat, iets wat de stad blijkbaar naar boven haalt. 

Toch zijn mijn gevoelens erover gemengd. Neem Vivienne Westwood: zij zette de esthetiek van de punkbeweging om in mode, en het is fascinerend hoe haar merk uitgroeide tot een luxelabel met internationale allure. Van antikapitalist naar megakapitalist, in het volle zicht van iedereen die decennialang meekeek. Hoe gaat zoiets? Ik weet het niet. Maar het fascineert me mateloos, misschien juist omdat mij op mijn eigen, veel kleinere schaal iets vergelijkbaars is overkomen.

Want wat is er nu nog te merken van mijn punkmentaliteit? Van buiten weinig. Helaas. Ik ben behoorlijk ten prooi gevallen aan de verwachtingen van anderen. Vind ik bijzondere kleren nog steeds mooi? Ja. Vooral in Berlijn, in de vele design-tweedehandswinkels, of in Antwerpen. Hier zie ik zoveel mooi uitgedoste mensen. De zelfexpressie is hier vele malen interessanter dan in elke willekeurige Nederlandse stad. Gisteren paste ik nog een halflange jurk van Issey Miyake, uit zijn plissécollectie. Stond hij mooi? Prachtig. Ik zou hem hier zo over een wijde broek dragen. In Nederland niet. Dus koop ik hem niet.

De tijd en aandacht die ik aan kleding besteed, staan sowieso nauwelijks in verhouding tot wat je daadwerkelijk aan me ziet. Alles wat ik heb is zorgvuldig uitgekozen. Mooie materialen, bijna altijd merinowol, soms op maat gemaakt, vaak van ontwerpers, meestal tweedehands. Vorig jaar kocht ik nog een prachtige lange mantel van Raf Simons. Een beeldschone jas, ongeëvenaarde schoonheid, zware kwaliteit. Maar zodra ik in Nederland ben, verdwijnt hij weer in mijn kast. Ik wil daar niet opvallen met mijn uiterlijk.

## **De taal die kleding spreekt**

Ik weet dat je met je uiterlijk een taal spreekt. En mijn punk is in de loop der jaren naar binnen gekeerd, naar wat ik met InDifferent doe. Daar zitten mijn ideeën voor revolutie. Ik vind dat het onderwijssysteem fundamenteel moet veranderen, en dat zijn in de ogen van sommigen behoorlijk radicale ideeën.

Mijn collega Baz noemde mij ooit Punk in Pak. Ik kwam na de zomervakantie terug van een maand Berlijn, met een gemillimeterd kapsel, een oorbel in mijn oude opnieuw geopende oorgat, Dr. Martens en handen vol zilveren ringen. Subtiele verschillen met de Elmar die een paar weken eerder was vertrokken, maar genoeg voor Baz om een kant van mij te zien die hij nog niet kende. Hij merkte op dat ik me verkleedde als serieuze directeur om binnen te komen bij gemeentes, scholen en instellingen. Hij had gelijk. De naam Punk in pak is blijven hangen en wordt soms als mijn alias gebruikt. 

Want wat InDifferent doet, is behoorlijk revolutionair, of in ieder geval streven we naar revolutie. Maar als ik met een spandoek en een punkoutfit bij de schoolpoort ga staan schreeuwen dat het schoolsysteem sucks en kapot moet, met een paar anarchietekens erbij, laat niemand me binnen. Er is geen schooldirecteur die de poort voor me opent, me op zijn kantoor een kop koffie aanbiedt en vervolgens vraagt of ik zijn team wil trainen. Laat staan dat hij me daarvoor betaalt. Dus paste ik mijn aanpak aan.

En met een uiterlijk dat toch al niet helemaal ‘gangbaar’ is — Indisch, klein, gay — moest dat kostuum extra overtuigend zijn. Gelukkig heb ik altijd een sterk stijlgevoel gehad. Pakken van honderd procent merinowol of kasjmier. Mooie schoenen. Dure pennen. Ik heb het allemaal. En ik vind die spullen ook oprecht mooi. De esthetiek van Hermès begrijp ik volledig en neem ik graag tot me. En het werkt. Ik word serieus genomen. Ik word uitgenodigd om te spreken, soms voor behoorlijke bedragen. De deuren gaan open. Van binnen ben ik nog steeds dezelfde punk, alleen zit er nu een kapitalistische buitenlaag om mijn rebelse — niet radicale — kern. Net zoals Berlijn.

Ik doe overigens niet erg mijn best om dat te verbergen. Het komt vanzelf naar boven, meestal pas na een tijdje, wanneer mensen die toch al vooral met zichzelf bezig zijn niet zorgvuldig genoeg hebben gekeken. Maar dan ben ik meestal al binnen. En het contract is al getekend. Vind ik het jammer dat ik me daarvoor heb aangepast? Ja. Zeker.

De afgelopen weken in Berlijn heb ik weer een paar bijzondere dingen gekocht. Een Aziatisch ikat-shirt bijvoorbeeld, prachtige stof en schitterende kleuren. Ik draag het, krijg er leuke opmerkingen over. Maar het raakt me niet meer zoals vroeger. Er zit geen spanning meer achter. Ik hoef niet meer met mijn kleding te bewijzen dat ik anders ben. Veel fijner vind ik het inmiddels om nonchalant door de straten te gaan. Onzichtbaar. Mijn bijzonderheden alleen te laten zien aan wie de moeite neemt om ze te zien.

Mijn punkidealen zijn niet verdwenen. Ze leven voort in mijn werk (en verscholen onder mijn nieuwe Gucci pet). Alleen blijft er nu, terwijl ik door Berlijn fiets, een andere vraag hangen: als je jezelf jarenlang hebt aangepast om van binnenuit iets te kunnen veranderen, wanneer is die aanpassing dan een slimme strategie en wanneer ben je zelf ongemerkt onderdeel geworden van het systeem waartegen je ooit in opstand kwam?